21/02/2026
Deze week kon ik niet anders dan luisteren.
Mijn lichaam dwong me.
Een ontsteking in mijn monnikskapspier, met een zenuw die klem zat. Pijn die vanuit mijn nek door mijn schouder mijn arm in trok. Mijn hand verloor kracht. Mijn arm voelde deels doof. Mijn linkerarm, mijn dominante arm, kon ik nauwelijks gebruiken.
En ineens word je klein gemaakt door je eigen lichaam.
Werken lukte niet.
Het huishouden moest ik laten.
Zelfs simpele dingen kostten moeite.
De arts zei iets wat bleef hangen:
zolang je lichaam pijn aangeeft, ben je gedwongen rust te nemen.
En ergens voelde ik dat dit niet alleen over die spier ging.
De afgelopen twee jaar ben ik diep naar binnen gegaan. Oude patronen aangekeken. Lagen afgepeld. Dingen doorbroken die jarenlang normaal waren. Altijd doorgaan. Veel dragen. Me verantwoordelijk voelen voor alles en iedereen.
Ik dacht dat dat werk vooral van binnen gebeurde. In mijn hoofd. In mijn hart.
Maar mijn lichaam bleek ook mee te bewegen.
Ons lichaam onthoudt alles.
Spanning. Aanpassen. Sterk zijn. Doorgaan.
En soms laat het pas los wanneer het veilig genoeg voelt.
Deze week voelde dat precies zo.
Alsof mijn lichaam zei:
nu je niet meer alleen maar aan het overleven bent, nu je anders kijkt naar jezelf… nu mag ook de spanning die al die tijd in je lichaam zat naar buiten.
En dat voelde rauw.
Pijnlijk.
Beperkend.
Frustrerend.
Maar ook eerlijk.
Want als ik heel eerlijk ben, was ik waarschijnlijk gewoon doorgegaan.
Nog even dit doen.
Nog even dat oplossen.
Nog even zorgen.
Tot mijn lichaam deze week zei: nu niet meer.
Misschien is dat wat ons lichaam soms doet.
Niet om ons tegen te werken.
Maar om ons stil te zetten op een plek waar we eigenlijk al langer hadden mogen zijn.
Langzamer.
Zachter.
Meer bij onszelf.