23/02/2026
“Maak ik mijn kind te braaf?”
Die vraag hoor ik vaker
dan ouders durven toegeven.
Een kind dat wacht tot het groen is.
Terwijl anderen gewoon doorlopen.
Een kind dat zijn werk thuis verder maakt.
Omdat de klas onrustig was.
Een kind dat sorry zegt.
Zelfs wanneer het niet echt fout zat.
En ergens knaagt het.
Niet omdat het kind iets fout doet.
Maar omdat de wereld niet altijd zacht is
voor zachte kinderen.
Van buiten lijkt het ideaal.
Beleefd.
Correct.
Sociaal.
Maar vanbinnen leeft vaak een andere dynamiek.
Dat kind voelt spanning sneller.
Leest gezichten sneller.
Past zich sneller aan.
Niet om “braaf” te zijn.
Maar om verbinding te behouden.
Om veiligheid te voelen.
Dus slikt het woorden in.
Wacht het langer.
Geeft het sneller toe.
Geen karakterfout.
Een overlevingsstrategie.
En ja, dan komt die existentiële oudervraag:
Moet ik mijn kind harder maken?
Mondiger?
Weerbaarder?
Alsof zachtheid en weerbaarheid
niet samen kunnen bestaan.
Maar echte weerbaarheid ontstaat zelden
door een kind minder gevoelig te maken.
Ze groeit wanneer een kind leert:
“Mijn grenzen mogen bestaan.”
“Mijn stem is veilig.”
“Ik mag ruimte innemen.”
Niet door het duwen te leren.
Maar door het blijven staan.
Veel “brave” kinderen
worden later volwassenen
die over hun grenzen gaan
zonder dat iemand het merkt.
Succesvol.
Betrouwbaar.
Maar intern vaak moe.
Omdat ze ooit leerden:
aanpassen geeft rust.
De nuance is belangrijk.
Weerbaarheid is niet luid zijn.
En braaf zijn is niet zwak zijn.
Soms is het net het kind dat zich het meest aanpast,
dat het meest nood heeft
aan toestemming om zichzelf te blijven.
Niet harder.
Wel steviger vanbinnen.
Dus misschien is de echte vraag niet:
“Maak ik mijn kind braaf of weerbaar?”
Maar:
Herken jij het moment waarop jouw kind zich aanpast
terwijl het eigenlijk ruimte nodig had?
En wat doe jij dan meestal —
corrigeren, beschermen,
of stil hopen dat de wereld zachter wordt?
Johan