Broeder Sjuul

Broeder Sjuul Broeder Sjuul is een pagina waarmee ik een inkijkje geef in mijn werk als zorgverlener en als mens

This Is my Life, een blog over het leven van vandaag... het leven van mij als blogger maar ook het leven van iemand die zomaar over straat wandelt...

Ik zat aan de keukentafel toen mijn student het vroeg. Zo’n vraag die niet voortkomt uit domheid, maar uit logisch naden...
07/01/2026

Ik zat aan de keukentafel toen mijn student het vroeg. Zo’n vraag die niet voortkomt uit domheid, maar uit logisch nadenken.
“Waarom geven we iemand met COPD eigenlijk zo weinig zuurstof? Hij is toch benauwd?”

Ik roerde in mijn koffie en keek naar buiten, waar de vuilniswagen net te laat kwam voor onze straat. De zakken stonden er nog. Altijd weer datzelfde beeld. En ineens dacht ik: dit is het eigenlijk. Dit is COPD.
Stel je een huis voor. Geen bijzonder huis. Gewoon een rijtjeshuis met een keuken, een woonkamer en een gang die altijd iets te vol staat. In dat huis wonen mensen. En in dat huis wordt geleefd. Er wordt gekookt, gelachen, geleefd. En dus ontstaat er afval.

Dat huis, dat is je lichaam.
Elke dag rijden er kleine karretjes door dat huis. Rode bloedcellen. Zie ze als boodschappenkarren. In elke kar passen precies vier producten. Niet meer. Niet minder. Dat zijn pakken zuurstof. Die worden netjes afgeleverd in elke kamer waar iets gebeurt. Spieren, organen, hersenen. Overal waar geleefd wordt, is zuurstof nodig.

Maar die karretjes gaan nooit leeg terug. Op de terugweg nemen ze vuilnis mee. Koolstofdioxide. Afval. Drie kralen aan elkaar, een volle zak die ergens moet worden neergezet. En normaal gesproken rijden ze daarmee rechtstreeks naar buiten, de longen in, waar het afval wordt opgehaald en afgevoerd.
Zo werkt een gezond lichaam.

Strak geregeld. Afval eruit, zuurstof erin. Niemand die er last van heeft.
Bij COPD is dat huis oud geworden. De afzuigkap doet het nog wel, maar niet meer zoals vroeger. De ramen klemmen, de deuren piepen en de vuilniswagen rijdt niet meer elke dag. Het afval blijft staan!
Eerst één zak in de gang. Dan nog één, ach, het ruikt een beetje, maar je went eraan, dat doet het lichaam ook. Het raakt gewend aan een hoger CO₂-gehalte. Het alarmsysteem dat normaal zegt: “Het stinkt, we moeten ventileren,” wordt steeds stiller. En dan gebeurt er iets geks. Het lichaam gaat zich niet meer laten leiden door het afval, maar door de frisse lucht, door zuurstof. Dat wordt ineens de maatstaf.

En dan komen wij binnen, in witte kleding, met een zuurstofbrilletje. En met de beste bedoelingen zetten we de ramen wagenwijd open.
Frisse lucht stroomt naar binnen.
Het lichaam denkt:
Oh. Het is hier prima! We hoeven niet zo hard te werken.
De ademhaling wordt rustiger, langzamer, minder diep, en ondertussen… blijft het afval staan. Sterker nog, het stapelt zich op. Want er wordt minder geventileerd dan ooit.

De gang raakt vol. De deuren kunnen niet meer open. Iemand wordt suf. Slaperig. Verward. Niet omdat hij geen zuurstof krijgt, maar omdat het huis langzaam dichtslibt van zijn eigen rommel.
Dat noemen wij stapelen.
Geen ingewikkelde term, gewoon afval dat nergens heen kan.
Daarom geven we bij COPD geen volle ramen en deuren tegelijk. Geen storm aan zuurstof. Maar een raampje op een kier, één liter, soms twee. Net genoeg om het leefbaar te houden, zonder dat het lichaam denkt dat het onderhoud niet meer nodig is.
Het is balanceren, observeren, luisteren naar het huis, niet alleen naar de meter aan de muur.

Mijn student knikte langzaam. Alsof hij het huis ineens voor zich zag, de gang, de vuilniszakken, de afzuigkap die het net niet meer doet.
“Dus,” zei hij, “meer zuurstof is niet altijd beter.”
Ik glimlachte.
“Soms,” zei ik, “is minder precies genoeg.”

PS: voor de oplettende kijker, ja deze foto is gemaakt met AI. Omdat ik geen fotograaf kon vinden die mij met een volle afvalzak in een afgesloten ruimte wilde fotograferen ;) en geef ze is ongelijk!

Er zijn van die momenten waarop je jezelf onvermijdelijk in de spiegel moet aankijken, of je nou wil of niet. Momenten w...
04/01/2026

Er zijn van die momenten waarop je jezelf onvermijdelijk in de spiegel moet aankijken, of je nou wil of niet. Momenten waarop het witte jasje dat je draagt, niet langer voelt als een trots uniform! Het voelt als een ongemakkelijke herinnering aan verwachtingen die je niet waar kunt maken. En daar sta je dan: als zorgverlener, als broeder, als man van vlees. Met je beste bedoelingen, je kennis, je ervaring en je diepe wens om het goede te doen. Alleen… soms lukt dat dus gewoon niet.

Waarom ik soms niet de juiste zorgverlener ben
Want eerlijk is eerlijk: ik ben niet altijd de juiste zorgverlener voor een patiënt. En dat is een waarheid die in onze sector niet bep**ld populair is. Alles moeten we kunnen, alles moeten we willen, alles moeten we maar vol overgave en met een glimlach blijven uitvoeren. “Keten breed opgeleid,” noemen ze dat met een prachtig woord in de opleiding. Maar niemand vertelt je erbij dat je ergens in die keten misschien niet de sterkste schakel bent. Of dat je soms zelfs helemaal niet in die specifieke schakeling thuishoort.

Ik ben goed in hectiek, in doorpakken, in situaties waar je drie stappen vooruit moet denken! Omdat je anders simpelweg de boot mist. Onvoorzienezorg, ziekenhuis, palliatieve trajecten waarin het leven in een stroomversnelling richting einde raast, ja daar functioneer ik. Ik voel me daar op mijn plek. Daar krijg ik energie van, daar kan ik het verschil maken. Maar zet mij op een afdeling waar de tijd stil lijkt te staan, waar gedrag niet te verklaren is en waar routine belangrijker is dan flexibiliteit, dan loop ik al snel vast.

Een psychogeriatrische afdeling bijvoorbeeld, met bewoners vol onbegrepen gedrag, het is een plek waar ik me keer op keer de verkeerde voel. En geloof me, ik heb het geprobeerd. Heel lang ook. Want dat is wat er van je verwacht wordt: aanpassen, doorzetten, leren, groeien. En ergens klopt dat ook wel, maar wat als je, ondanks alle moeite, iedere dienst eindigt met een bonkend hoofd, een knoop in je maag en het gevoel dat je tekortschiet?

Wanneer zorg niet meer past
Het kostte me jaren om toe te geven dat ik daar niet op mijn plek ben. Niet omdat ik niet wil zorgen, niet omdat ik geen geduld heb (al is mijn lontje soms korter dan goed voor me is), maar simpelweg omdat mijn zorgverlening leunt op afstemming. Ik lees het gezicht van mijn patiënt, ik voel aan wat nodig is, ik beweeg mee. Maar als lichaam en gedrag elkaar tegenspreken, als ik geen grip krijg op wie iemand is of wat iemand nodig heeft, dan verlies ik mezelf. Dan wordt mijn werk geen zorg meer, maar overleven.

Is dat erg? Misschien. Is het eerlijk? Absoluut. Want zorg draait niet alleen om beschikbaarheid of inzet, het draait ook om passendheid. En passend zijn betekent soms ook durven zeggen dat jij niet de juiste persoon bent voor deze situatie. Niet om weg te lopen, niet om verantwoordelijkheid te ontlopen, maar juist om ruimte te maken voor iemand die wél kan bieden wat nodig is.

Zelfkennis als onderdeel van goede zorg
Dat toegeven voelde aanvankelijk als falen, als tekortkomen, als zwakte. Tot ik besefte dat het juist kracht vraagt om je grenzen te erkennen, om niet vanuit ego maar vanuit besef te handelen. Zorg begint niet bij zelfopoffering, maar bij zelfkennis. En zelfkennis zegt mij: ik ben goed in veel dingen, maar dit stuk van de zorgketen, dat hoort niet bij mij.

Dus ja, ik draag mijn witte jas nog steeds met trots. Maar ik weet inmiddels ook wanneer ik ’m even uit moet doen, mijn handen moet opsteken en eerlijk moet zijn: deze patiënt is niet voor mij!

Het is 1 januari en ik weet eigenlijk al hoe laat het is voordat ik de kamer binnenstap.Hij ligt half rechtop in bed, de...
02/01/2026

Het is 1 januari en ik weet eigenlijk al hoe laat het is voordat ik de kamer binnenstap.

Hij ligt half rechtop in bed, de lakens strak ingestopt, zijn hand omhoog alsof hij zich wil melden voor een vraag die hij liever niet had gesteld. Verband, tape, de geur van steriele rust na een nacht die allesbehalve rustig was. Ik zie het vaker op deze dag. Niet omdat mensen dom zijn, maar omdat oudjaarsavond iets met volwassenen doet. Dan worden natuurwetten ineens optioneel.
“Alles er nog aan?” vraag ik luchtig, terwijl ik dichterbij kom.
Hij telt, tien vingers, twee ogen. De opluchting is zichtbaar, al vertrouwt hij het nog niet helemaal.

Buiten is het schemerig, binnen hangt die typische Nieuwjaars stilte. Alsof de wereld even ademhaalt. Mensen zeggen dat nieuwjaar fris is, onbeschreven, magisch. Maar in dit soort gevallen voelt het vaker alsof iemand op pauze heeft gedrukt terwijl iedereen nog midden in de chaos zat.
Zijn verhaal is voorspelbaar en uniek tegelijk. Sterretjes! Binnen, “gezellig,” zei iemand. Die iemand is vandaag nergens te bekennen, maar de gevolgen liggen netjes verpakt in gaas en pleisters. Hij vertelt het bijna verontschuldigend, alsof hij zich schaamt dat hij hier ligt. Dat doet me altijd iets, alsof pech alleen is toegestaan als je er hard genoeg voor gewerkt hebt.

Oudjaarsavond is geen feest, denk ik, het is een overlevingstocht. Een Darwin-test met vuurwerk, drank en grootheidswaanzin. Iedereen kent ze: “Ik doe dit al jaren, nog nooit iets gebeurd.” En toch zijn het vaak diezelfde mensen die je op 1 januari ziet, met een verband en een verhaal.
Terwijl ik mijn werk doe, begint hij over goede voornemens. Over zijn vrouw die gezonder wil leven, met een oliebol in de hand. Over zichzelf, die meer wil sporten terwijl hij buiten adem was van het openen van een fles prosecco. Ik hoor geen cynisme, alleen hoop. En een beetje zelfmisleiding. Dat laatste zeg ik natuurlijk niet hardop.
Goede voornemens zijn geen plannen. Het zijn wensen met te veel zelfvertrouwen. Ze leven kort, maar intens. Meestal tot ergens halverwege januari, wanneer het regent, donker is en de motivatie samen met het vuurwerk is opgebrand.
Ik merk dat ik dit jaar zelf ook anders kijk. Geen lijstjes in mijn hoofd, een Excel-overzicht van geluk, geen apps die piepen dat ik vandaag alweer gefaald heb. Ik heb geen zin meer om mezelf te verbeteren alsof ik een kluswoning ben waar altijd nog een muur scheef staat.

Wat ik wél hoop, terwijl ik hier sta in mijn witte uniform op de eerste dag van het jaar, is eigenlijk heel simpel. Dagen die nergens heen hoeven, momenten waarop het gewoon even oké is, mensen die blijven, ook als het schuurt en als alles weer eens misloopt (want dat doet het) dat we er in ieder geval om kunnen lachen!
Ik wens hem een goed nieuwjaar, niet groots, niet plechtig, gewoon eerlijk. Hij knikt en kijkt nog één keer naar zijn hand, alsof hij hem alsnog bedankt.
Als ik de kamer uitloop, denk ik: het leven komt toch wel, met of zonder voornemens. Met scheve plannen, onverwachte bochten en soms een complete chaos in de woonkamer. Of hier, op de slaapkamer.
En als dit het begin is van het jaar, dan proost ik daarop. Met tien vingers, twee ogen, een flinke dosis humor en precies genoeg plannen om het leuk te houden.

Lieve jij,lezer van Broeder Sjuul,Het is oudjaarsnacht. De wereld houdt even haar adem in. De straat ligt er stil bij, e...
31/12/2025

Lieve jij,
lezer van Broeder Sjuul,

Het is oudjaarsnacht. De wereld houdt even haar adem in. De straat ligt er stil bij, ergens knalt al te vroeg een vuurpijl en in menig huis wordt nog snel een glas bijgevuld. Ik zit aan tafel, jas half uit, hoofd vol. Zoals altijd aan het einde van een jaar. Want een jaar sluit je niet af met een klik, dat sijpelt. Dat echoot na.

Dit jaar liep met rafelranden. Met dagen waarop alles zwaar voelde en momenten waarop ik dacht: hoe dan? Maar ook met onverwachte lichtpuntjes. Een glimlach op het juiste moment. Een hand die bleef liggen. Een lach die hardop mocht, midden tussen alles wat pijn deed. Dat is het leven, heb ik geleerd. Het komt nooit netjes verpakt.

Straks slaat de klok twaalf. Dan doen we alsof alles nieuw begint. Alsof verdriet zich laat resetten en zorgen zich aan de kapstok laten hangen. Maar zo werkt het niet. Je neemt jezelf mee. Alles wat je was, alles wat je bent, alles wat je mist. En dat mag.

Voor het nieuwe jaar wens ik je geen perfectie. Ik wens je echtheid. Dagen waarop je mag struikelen zonder schaamte. Momenten waarop je mag lachen zonder uitleg. Mensen die blijven, ook als jij even stilvalt. En rust. Niet de rust van niks doen, maar die diepe rust van: het is oké zo.

Als het leven soms te hard gaat, loop dan langzamer. Als het te stil wordt, zoek geluid. En als je even niet weet hoe verder: adem. Dat is genoeg voor nu.

Dankjewel dat je hier was. Dat je meelas. Dat je bleef.
We gaan samen een nieuw hoofdstuk in. Met alles wat we meenemen.

Voor straks, voor morgen, voor alle dagen daarna:
een zacht, eerlijk en warm nieuwjaar.

Er was eens een jaar dat begon zoals zovele jaren beginnen: zonder waarschuwing. Het stond niet aangekondigd, droeg geen...
30/12/2025

Er was eens een jaar dat begon zoals zovele jaren beginnen: zonder waarschuwing. Het stond niet aangekondigd, droeg geen bordje met let op, en fluisterde nergens dat het anders zou aflopen dan gehoopt. Het was gewoon een nieuw jaar, met plannen, met routines, met liefde die vanzelfsprekend voelde, omdat ze er elke dag was.

In dat jaar leefde een broeder, herkenbaar aan zijn witte jas en zijn rode klompen. Hij droeg verhalen met zich mee alsof ze gewichtloos waren, maar ondertussen drukten ze op zijn schouders, hij zorgde, hij luisterde, hij hield handen vast die trilden, lichamen overeind die het eigenlijk wilden begeven. En elke dienst keerde hij terug naar huis, naar Sander.

Sander was geen sprookjesfiguur. Hij had geen vleugels, geen g***s, geen mystiek. Hij was warm, aards, aanwezig. Hij was degene die koffie zette terwijl de broeder zijn schoenen uitschopte. Degene die zei: “Kom eens hier,” zonder dat er iets uitgelegd hoefde te worden. Sander was thuis. Punt.

De maanden trokken voorbij. De broeder werkte, leefde, lachte soms wat te weinig en sliep soms wat te kort. Maar alles was dragelijk, omdat er aan het einde van de dag iemand was die hem terugbracht naar zichzelf. In dit sprookje was Sander het vaste punt, het anker, de plek waar niets hoefde.

De lente kwam en deed wat lentes doen: ze bloeide, maar niet overal tegelijk. Er waren dagen dat het leven zwaar voelde, maar Sander was er. Hij zag dingen voordat ze uitgesproken werden. Hij legde een hand op een schouder en daarmee was de wereld weer even te doen. In dit deel van het verhaal was er nog geen voorbode, geen donkere wolk aan de horizon. Alleen het leven, met zijn rafels.

De zomer kwam heet en druk. Het sprookje werd voller, luider, vermoeiender. De broeder droeg veel, misschien te veel. En Sander zei dat ook. Zacht, liefdevol, zonder drama.
“Je hoeft niet alles te zijn voor iedereen,” zei hij.
De broeder knikte, zoals broeders knikken, en ging toch weer door.

En toen…
Toen kwam de herfst.

Niet als een langzaam verkleurend blad, maar als een plotselinge rukwind. Op 26 september brak het sprookje. Niet netjes, niet symbolisch, gewoon bruut, Sander overleed. Zomaar, onverwacht, definitief.
De bladzijde werd omgeslagen zonder overleg.

Vanaf dat moment was alles anders. De wereld bleef draaien, maar de broeder stond stil. Tijd werd iets abstracts. Ademhalen iets wat bewust moest gebeuren. Het huis werd te groot en te stil tegelijk. De plek naast hem leeg. De zinnen die hij wilde zeggen nergens meer naartoe.

In dit sprookje kwam geen wijze oude man uitleggen hoe rouw werkt. Niemand gaf een handleiding. Er was alleen gemis. Rauwe, scherpe afwezigheid. En toch moest de broeder door. Want cliënten wachtten, routes bestonden nog, de witte jas hing klaar.

Na 26 september werd elk moment een na. Na Sander, na die dag, na dat leven. Mensen vroegen: “Hoe gaat het?” en de broeder leerde antwoorden die niet logen, maar ook niet alles blootlegden. Want hoe leg je uit dat je iemand kwijt bent, maar hem overal nog voelt?

De herfst werd kouder. De dagen korter. En ergens tussen de pijn, de herinneringen en het langzaam leren bestaan zonder Sander, gebeurde iets kleins. Iets wat geen verklaring had.

Op een dag, terwijl de broeder naar buiten keek, landde er een vlinder.
Niet bijzonder, niet groot, maar precies daar,
Hij bleef even zitten. En vloog toen weer weg.

De broeder voelde het voordat hij het begreep.
Sander was veranderd.

Niet verdwenen. Niet opgelost. Maar veranderd van vorm. Waar hij eerst zat aan tafel, zat hij nu in herinneringen. Waar hij eerst sprak, sprak hij nu in gedachten. En waar hij eerst een hand was, werd hij nu iets lichts. Iets dat kwam en ging, maar nooit helemaal weg was.

Vanaf dat moment kreeg het sprookje een nieuw element. Niet troostend in de klassieke zin, maar dragend. De vlinder werd geen symbool dat alles goed maakte. Hij werd een teken dat liefde niet stopt bij een einde. Dat rouw soms vleugels krijgt, juist omdat ze te zwaar is om altijd te dragen.

De winter naderde. De broeder leerde lachen zonder zich schuldig te voelen. Huilen zonder uitleg. Praten tegen iemand die er niet meer was, maar wel bleef. Soms hardop. Soms in gedachten. Soms tegen een vlinder, gewoon omdat het zo voelde.

En toen was het oudejaarsavond.

De broeder stond bij het raam. Buiten begon het vuurwerk. Binnen was het stil. Hij dacht aan het jaar. Aan vóór 26 september. Aan ná 26 september. Aan hoe één datum een heel leven in tweeën kan delen. Hij voelde verdriet. Diep en eerlijk. Maar hij voelde ook iets anders: dat hij het had overleefd. Niet ongeschonden. Maar wel staand.

Hij schonk een glas in, morste op de vloer, zoals altijd, en zuchtte. En toen lachte hij. Eerst zacht. Toen harder. Om zichzelf. Om het leven. Om de absurditeit dat je kunt huilen en lachen in dezelfde minuut.

Buiten knalde het vuurwerk. Kleuren vulden de lucht. En ergens, zo stelde hij zich voor, fladderde een vlinder door het licht.
Niet om te zeggen dat alles goed was.
Maar om te zeggen: ik ben er nog, alleen anders.

Dit sprookje eindigt niet met een perfect einde.
Het eindigt met een broeder die vooruitkijkt, met Sander in een andere vorm aan zijn zijde.
Met verdriet in zijn hart.
En een glimlach op zijn gezicht.

Want soms is dat het meest eerlijke einde dat er bestaat.

Het hart dat even brak, en weer verder klopteMevrouw Van Dijk is 62 als ze zich op maandagochtend meldt bij de huisarts....
28/12/2025

Het hart dat even brak, en weer verder klopte

Mevrouw Van Dijk is 62 als ze zich op maandagochtend meldt bij de huisarts. Ze voelt zich beroerd, zegt ze. Drukkende pijn op de borst, kortademig, misselijk. “Het lijkt wel een hartaanval,” zegt ze er zelf bij, bijna verontschuldigend. De huisarts twijfelt geen seconde en stuurt haar door naar het ziekenhuis.

Eenmaal op de SEH gaat het snel. Plakkers, piepjes, bloedafname. Mevrouw kijkt me aan vanaf het bed en zegt zacht: “Mijn man is drie weken geleden overleden. Zomaar. Aan tafel.” Het is geen medisch gegeven, maar het hangt meteen in de kamer.

De uitslagen volgen. Haar kransslagaders blijken schoon. Geen verstopping, geen infarct. En toch is haar hart duidelijk van slag. De cardioloog schuift aan en spreekt woorden die mevrouw zichtbaar niet verwacht: gebroken hart syndroom. Ook wel het Takotsubo-syndroom genoemd. Een tijdelijke aandoening waarbij het hart letterlijk verzwakt door extreme stress of verdriet. Alsof het hart even niet meer weet hoe het verder moet.

Mevrouw Van Dijk lacht schamper. “Dus het zit niet tussen mijn oren?”
“Nee,” zegt de arts, “maar het komt wel uit uw leven.”

De dagen erna zie ik haar vaker. Ze krijgt rust, medicatie, aandacht. Maar vooral: erkenning. Dat haar verdriet niet ‘gewoon rouw’ is, maar iets wat haar hele lijf heeft geraakt. Ze vertelt over haar man, over de stilte in huis, over hoe zelfs koffie anders smaakt nu. En langzaam, heel langzaam, zie je iets veranderen. Haar ademhaling wordt rustiger. De monitor piept minder onrustig.

Een week later loopt ze een rondje over de gang. Met pantoffels, dat wel. Ze kijkt me aan en zegt: “Weet je wat zo gek is? Mijn hart deed pijn omdat ik zoveel heb liefgehad. Dat vind ik eigenlijk ook wel mooi.”

En daar zit de feelgood-kant van dit verhaal. Het gebroken hart syndroom is zeldzaam, tijdelijk en meestal goed te herstellen. Maar het vertelt ons iets groters: dat liefde en verlies niet alleen in woorden bestaan, maar ook in spieren, ritmes en slagen per minuut.

Mevrouw Van Dijk mag naar huis met een plan, met nazorg, met vertrouwen. En misschien ook met een klein beetje trots. Want haar hart brak niet omdat het zwak was, maar omdat het zo ontzettend goed wist hoe liefhebben moest.

Deze week werd ik voor het eerst in lange tijd herkend door een cliënt.Nou ja, eigenlijk door twee cliënten.De vorige ke...
27/12/2025

Deze week werd ik voor het eerst in lange tijd herkend door een cliënt.
Nou ja, eigenlijk door twee cliënten.

De vorige keer dat het me overkwam was vlak na een televisieprogramma waar ik te gast was. De dag erna liep ik richting het ziekenhuis voor een dienst, toen een meneer me buiten aansprak met:
‘Jij was gisteren op tv.’

Ik ben niet zo goed in dat soort momenten. Ik ben namelijk gewend om redelijk anoniem door het leven te gaan. Ik fiets mijn rondjes, trek mijn witte pak aan, doe mijn werk en verdwijn weer. Geen handtekeningen, geen selfies, geen “mag ik even…”. Dat past me ook wel.

Na het overlijden van mijn partner belde ik een cliënt om iets praktisch na te vragen. Halverwege het gesprek begon ze over “een zware tijd” en “alles wat ik had meegemaakt”. Ik schrok. Niet omdat ze het benoemde, maar omdat mijn online bestaan tot dat moment nog nooit de wereld van een levende cliënt had geraakt.

Ik schrijf graag. Ik haal daar veel voldoening uit. Maar ik doe er ook alles aan om de wereld van het schrijven en de wereld van de zorg gescheiden te houden. Wat jullie lezen zijn vrijwel altijd oude verhalen. Maanden oud, soms jaren. Pas na overlijden, pas na afscheid, pas als de tijd eroverheen is gegaan.

Die regels heb ik mezelf opgelegd. Want er bestaat geen handboek met de titel: “Hoe vertel je een verhaal zonder dat je de AVG en je beroepsgeheim aan gort schrijft.” Dat is geen exacte wetenschap, dat is kunst- en vliegwerk. Je moet weten wie je wegschrijft, wat je vervormt, wat je laat liggen. Niet alleen om claims en boze mails te voorkomen, maar vooral om recht te blijven doen aan je vak.

Mijn werk draait niet om mij. Het draait om de mensen waar ik voor zorg. Daarom vertel ik verhalen kriskras door elkaar. Gezichten vervagen, situaties versmelten, tijdlijnen lopen door elkaar. Er zijn ook verhalen die ik nooit zal plaatsen, omdat ik niet zeker weet of iemand nog leeft, of omdat herkenning voor naasten te groot zou zijn. Die stukken blijven op de plank.

Ik schrijf veel. Soms schrijf ik vandaag pas over iets van acht jaar geleden. Daardoor lijkt het soms alsof ik twintig verschillende banen heb, maar niets is minder waar. Ik heb één baan van 32 uur per week. En daarnaast schrijf ik.

Deze week stapte ik bij een cliënt in de wijk binnen. Ze keek me aan en zei:
‘Ik moet je toch wat vragen… heb jij een broer?’

Dat klopt. Mijn ouders hebben twee kinderen en ik ben de oudste. De hersenen hebben ze overigens bewaard voor de tweede, die zit op de universiteit. Ik ben vooral heel goed in: “Het wiel is al uitgevonden, waarom zouden we dat niet gebruiken?”

Ze keek me nog eens aan en zei:
‘Je lijkt heel erg op Broeder Sjuul.’

Heel even dacht ik: niks zeggen, gewoon dankjewel en door. Maar ik hoorde mezelf zeggen dat ik inderdaad die stukjes schrijvende beroepsidioot ben.

Ik sta er nooit zo bij stil als ik naar de cijfers kijk. Maar als ik al mijn volgers hier op Facebook zou oproepen om zich te verzamelen, en iedereen zou ook echt komen, dan is de Ziggo Dome te klein. Dan moet ik uitwijken naar een stadion. PSV bijvoorbeeld. Daar passen er zo’n 35.000 in. Zover ben ik nog niet. Maar ik kom een heel eind in de buurt.

Om een beeld te geven: in de week dat Sander overleed had de post die ik toen plaatste, schrik niet, acht miljoen vijftigduizend driehonderdtweeëntachtig weergaven.

Op dat moment stond ik daar geen seconde bij stil. Ik had andere dingen aan mijn hoofd. Maar nu, achteraf, krijg ik er koude rillingen van. Een groot deel van Nederland leefde mee. In huiskamers brandden kaarsen voor iemand die ze niet kenden. Mensen zetten hun leven even op pauze om een bericht te lezen van een jongen van 27 die zijn partner van 26 verloor.

Hetzelfde gebeurde afgelopen week weer. Een jonge vrouw sprak me aan bij een concert van Guus Meeuwis in Antwerpen. Ze herkende me.

Het gebeurt steeds vaker. En het blijft onwerkelijk. Dat ik, bolletje Big uit de klei getrokken beroepsidioot, met mijn stukjes zoveel telefoons mag binnen denderen. Als een soort ongeleid projectiel. Met mooie verhalen. Met rauwe verhalen. Met dingen waar je liever van wegkijkt.

Dat precies wat het moet zijn.
Geen podium. Geen hoofdrol. Maar af en toe even gezien worden en daarna gewoon weer mijn witte pak aan de wijk in.

Het begon al fout toen ik om half zeven ’s ochtends mijn fiets van het slot haalde en mijn kerstmuts bleef hangen aan he...
25/12/2025

Het begon al fout toen ik om half zeven ’s ochtends mijn fiets van het slot haalde en mijn kerstmuts bleef hangen aan het zadel, waardoor ik mezelf bijna achterover de stoep op trok. Dat was zo’n moment waarop je weet: dit wordt geen O holy night, dit wordt een oh holy s**t-dienst. En het was nog vóór koffie.
De wijk lag er vredig bij, zo’n perfecte kerstkaart met rijp op de auto’s, lichtjes achter ramen en mensen die binnen zaten met croissantjes, gezinnen en plannen. En ik? Ik reed in mijn witte pak de kerst in, met een route waar zelfs de kerstman zich ziek voor zou melden.

Eerste adres: mevrouw De Vries. Of nou ja, “mevrouw”, want zij vond zichzelf eerder commandant De Vries. Bij binnenkomst werd ik begroet met de woorden:
“Jij bent laat.”
Het was zes minuten voor de afgesproken tijd.
Terwijl ik haar steunkousen aantrok, links altijd eerst, want anders “loopt alles scheef in haar lijf”, begon haar kat ineens te gillen. Niet miauwen, nee, gillen. Kerststress. De kat sprong op tafel, door de kerstkrans, met een sliert verlichting achter zich aan. Resultaat: halve boom om, mevrouw gillend, kat verdwenen, ik met een stekker in mijn hand en mevrouw die riep:
“Dit gebeurt dus nooit hè, alleen als jij er bent!”
Tweede adres. Meneer met Parkinson. Altijd netjes. Altijd dankbaar. Vandaag: compleet overstuur.

Zijn kersttrui was kwijt. Dé kersttrui. Rood. Met een rendier. Met een belletje.
“Zonder die trui ga ik nergens heen,” zei hij.
Ik wist: hij ging nergens heen. Maar dat hoefde hij nog niet te weten.
We zochten. Kast leeg. Laden leeg. Wasmand leeg.
Toen vond ik hem. De trui. In de koelkast.
Ik zei niks. Hij zei niks. We keken elkaar aan.
“Ach,” zei hij uiteindelijk, “dan is hij tenminste fris.”
En hij trok hem aan alsof het de normaalste zaak van de wereld was.
Derde adres was de klapper. Een echtpaar. Al 60 jaar getrouwd. Altijd samen. Tot vandaag.
“Hij is boos,” zei mevrouw bij binnenkomst.
“Zij is dramatisch,” zei hij vanaf de bank.
Reden? De kerstballen.
Hij had per ongeluk de doos van “haar kerstballen” weggegooid. Dat waren niet zomaar kerstballen. Dat waren de kerstballen. Van haar moeder. Van vóór de oorlog. Met emotionele waarde, geschiedenis en blijkbaar diplomatieke status.
Tijdens mijn poging te sussen, ging ik op een kerstbal staan. Krak.
Het werd doodstil.
Hij keek me aan. Zij keek me aan.
Ik keek naar de scherven en dacht alleen maar: hier lig ik straks ook, maar dan figuurlijk.

Na een diepe zucht zei mevrouw:
“Ach… hij was toch al lelijk.”
En ineens moesten ze allebei lachen. Zo hard dat ik even vergat dat ik er was. Ik stond erbij, met glasscherven onder mijn schoen, en dacht: dit dus. Dit is zorg. Dit is kerst.
Maar we waren er nog niet.
Laatste adres. Altijd gevaarlijk, dat weet iedereen in de zorg. Het adres waar “nog even snel” altijd eindigt in chaos.
Een dame met een tillift, een hond die niet van zorgverleners houdt en een zoon die “even helpt” maar vooral in de weg staat.
De tillift accu was leef dus dan maar rechtstreeks in het stopcontact. De hond beet bijna in mijn broekspijp. De zoon belde ondertussen luidkeels zijn vriendin om te vertellen dat hij “nu echt even niet kan”.
En toen… viel de stroom uit.
Kerstverlichting uit. Tillift uit. Zoon in paniek. Hond hyper. Cliënt half in de lucht.
Ik, midden in de kamer, dacht alleen maar: Als er nu engelen bestaan, mogen ze zich NU melden.
Met zaklamp van mijn telefoon, improvisatie waar MacGyver trots op zou zijn en een dosis sarcasme die alleen in de zorg overleeft, kregen we haar veilig terug in bed.

De stroom kwam terug. De hond ging liggen. De zoon keek me aan alsof ik zojuist water in wijn had veranderd.
Toen ik vertrok zei de dame:
“Fijne kerst jongen, en bedankt hè… het was toch gezellig.”
Buiten stapte ik weer op mijn fiets. Het was inmiddels donker. Overal lichtjes. Mensen aan tafels. Gelach achter ramen.
En ik reed verder, met koude handen, een warm hoofd en een hart dat dacht: het was geen O holy night… maar wel een verdomd menselijk mooie.
Oh holy s**t. Wat hou ik van dit vak.

PS: overigens ben ik dit niet op het plaatje, want ik pas met mijn bolle kop niet in een kerstmuts! Sorry normaal had ik er wel een leuke foto bij gemaakt!

In de thuiszorg begint ieder bezoek met hetzelfde ritueel: waar heb ik ‘m gelaten? De bloeddrukmeter ligt steevast in ee...
23/12/2025

In de thuiszorg begint ieder bezoek met hetzelfde ritueel: waar heb ik ‘m gelaten? De bloeddrukmeter ligt steevast in een andere tas dan gisteren, de saturatiemeter heeft zich waarschijnlijk verstopt uit angst om weer koude vingers te moeten knijpen, de thermometer zit los in mijn jaszak en de oplader… ja die ligt natuurlijk thuis, naast de koffie die ik óók vergeten ben te drinken.
Welkom in de wijk, waar wij zorg verlenen met een soort medische grabbelton.

Ik kom binnen bij een cliënt en begin als een goochelaar zonder assistent mijn spullen uit te stallen op tafel: “Even kijken hoor… bloeddruk links, saturatie rechts, thermometer… o nee, die piept pas over acht seconden… of negen… of helemaal niet.”
De cliënt kijkt toe alsof hij live aanwezig is bij Heel Holland Meet, en vraagt voorzichtig: “Moet dat allemaal?”
Ja meneer, dit is het systeem.

En dan heb je het ziekenhuis.
Daar staat hij.
De p**l.
Dé p**l.

Alles-in-één. Bloeddruk, saturatie, temperatuur, hartslag, ademhaling, waarschijnlijk ook je sterrenbeeld en vorige levens. Je plugt de patiënt in, drukt op één knop en floep, alles schiet keurig automatisch het dossier in. Geen papier, geen gezoek, geen “oh wacht, hij stond nog op Fahrenheit”.
De p**l oordeelt niet. De p**l vergeet niets. De p**l piept alleen als hij dat zinvol vindt.

Terwijl ik in de wijk nog net niet met plakband en hoop werk, loopt in het ziekenhuis de verpleegkundige weg met de rust van iemand die weet: de p**l regelt het.
Ik daarentegen sta bij de voordeur te twijfelen of ik de bloeddruk wel echt heb opgeslagen of dat ik straks in de auto denk: “Sh*t… was het nou 140/90 of het huisnummer?”

Maar eerlijk is eerlijk: die rommelige tas, dat losse spul, dat gepruts op de keukentafel , dát is ook thuiszorg. Geen hightech p**l, maar high-touch zorg.
En als alles het even niet doet? Dan hebben we altijd nog onze belangrijkste meetinstrumenten: twee ogen, twee oren en een onderbuikgevoel dat geen p**l ooit zal evenaren.

Al zou een p**l in de wijk soms wel lekker zijn…
Op wieltjes.
Met koffiehouder.
En een vakje voor mijn waardigheid

Adres

Ameide

Meldingen

Wees de eerste die het weet en laat ons u een e-mail sturen wanneer Broeder Sjuul nieuws en promoties plaatst. Uw e-mailadres wordt niet voor andere doeleinden gebruikt en u kunt zich op elk gewenst moment afmelden.

Delen

Share on Facebook Share on Twitter Share on LinkedIn
Share on Pinterest Share on Reddit Share via Email
Share on WhatsApp Share on Instagram Share on Telegram