07/01/2026
Ik zat aan de keukentafel toen mijn student het vroeg. Zo’n vraag die niet voortkomt uit domheid, maar uit logisch nadenken.
“Waarom geven we iemand met COPD eigenlijk zo weinig zuurstof? Hij is toch benauwd?”
Ik roerde in mijn koffie en keek naar buiten, waar de vuilniswagen net te laat kwam voor onze straat. De zakken stonden er nog. Altijd weer datzelfde beeld. En ineens dacht ik: dit is het eigenlijk. Dit is COPD.
Stel je een huis voor. Geen bijzonder huis. Gewoon een rijtjeshuis met een keuken, een woonkamer en een gang die altijd iets te vol staat. In dat huis wonen mensen. En in dat huis wordt geleefd. Er wordt gekookt, gelachen, geleefd. En dus ontstaat er afval.
Dat huis, dat is je lichaam.
Elke dag rijden er kleine karretjes door dat huis. Rode bloedcellen. Zie ze als boodschappenkarren. In elke kar passen precies vier producten. Niet meer. Niet minder. Dat zijn pakken zuurstof. Die worden netjes afgeleverd in elke kamer waar iets gebeurt. Spieren, organen, hersenen. Overal waar geleefd wordt, is zuurstof nodig.
Maar die karretjes gaan nooit leeg terug. Op de terugweg nemen ze vuilnis mee. Koolstofdioxide. Afval. Drie kralen aan elkaar, een volle zak die ergens moet worden neergezet. En normaal gesproken rijden ze daarmee rechtstreeks naar buiten, de longen in, waar het afval wordt opgehaald en afgevoerd.
Zo werkt een gezond lichaam.
Strak geregeld. Afval eruit, zuurstof erin. Niemand die er last van heeft.
Bij COPD is dat huis oud geworden. De afzuigkap doet het nog wel, maar niet meer zoals vroeger. De ramen klemmen, de deuren piepen en de vuilniswagen rijdt niet meer elke dag. Het afval blijft staan!
Eerst één zak in de gang. Dan nog één, ach, het ruikt een beetje, maar je went eraan, dat doet het lichaam ook. Het raakt gewend aan een hoger CO₂-gehalte. Het alarmsysteem dat normaal zegt: “Het stinkt, we moeten ventileren,” wordt steeds stiller. En dan gebeurt er iets geks. Het lichaam gaat zich niet meer laten leiden door het afval, maar door de frisse lucht, door zuurstof. Dat wordt ineens de maatstaf.
En dan komen wij binnen, in witte kleding, met een zuurstofbrilletje. En met de beste bedoelingen zetten we de ramen wagenwijd open.
Frisse lucht stroomt naar binnen.
Het lichaam denkt:
Oh. Het is hier prima! We hoeven niet zo hard te werken.
De ademhaling wordt rustiger, langzamer, minder diep, en ondertussen… blijft het afval staan. Sterker nog, het stapelt zich op. Want er wordt minder geventileerd dan ooit.
De gang raakt vol. De deuren kunnen niet meer open. Iemand wordt suf. Slaperig. Verward. Niet omdat hij geen zuurstof krijgt, maar omdat het huis langzaam dichtslibt van zijn eigen rommel.
Dat noemen wij stapelen.
Geen ingewikkelde term, gewoon afval dat nergens heen kan.
Daarom geven we bij COPD geen volle ramen en deuren tegelijk. Geen storm aan zuurstof. Maar een raampje op een kier, één liter, soms twee. Net genoeg om het leefbaar te houden, zonder dat het lichaam denkt dat het onderhoud niet meer nodig is.
Het is balanceren, observeren, luisteren naar het huis, niet alleen naar de meter aan de muur.
Mijn student knikte langzaam. Alsof hij het huis ineens voor zich zag, de gang, de vuilniszakken, de afzuigkap die het net niet meer doet.
“Dus,” zei hij, “meer zuurstof is niet altijd beter.”
Ik glimlachte.
“Soms,” zei ik, “is minder precies genoeg.”
PS: voor de oplettende kijker, ja deze foto is gemaakt met AI. Omdat ik geen fotograaf kon vinden die mij met een volle afvalzak in een afgesloten ruimte wilde fotograferen ;) en geef ze is ongelijk!