22/01/2026
Column 'Rouwhallucinatie'
Ik herinner me het moment nog zo goed.
Niet omdat het spectaculair was, maar omdat het zo volstrekt vanzelfsprekend voelde. Alsof het niet bijzonder was dat mijn moeder er even was, terwijl ze op dat moment al een half jaar dood was.
Mijn moeder overleed in 2010, vrij plotseling. Ze was 65 jaar en ik stond op het punt mijn studie geneeskunde af te ronden. Wat mij toen misschien nog wel het meest raakte, was dat zij nooit zou meemaken dat ik die eindstreep haalde. Misschien omdat ik haar erkenning op dat moment even nodig had. Misschien ook omdat ik wist hoe vaak zij zich zorgen over mij had gemaakt.
Ik was namelijk geen voorbeeldstudent. Ik vond het studentenleven minstens zo leuk als de studie zelf en liep flink wat vertraging op. Pas tijdens de coschappen viel het kwartje. Daar ontdekte ik wat dokteren voor mij betekende en voelde ik voor het eerst echt: dit is en blijft mijn vak. Ik kan me voorstellen dat mijn moeder zich in die jaren regelmatig heeft afgevraagd of het allemaal wel goed zou komen.
Tijdens de officiële buluitreiking, met familie om me heen, gebeurde er iets onverwachts. Ik voelde haar nabijheid ineens heel sterk. Niet als beeld. Niet als stem. Maar als een vanzelfsprekend weten. Alsof ze er even bij was. Alsof ze knikte. Alsof ze zei: 'zie je wel. Ik wist het wel.'
Dat gevoel kwam later terug. Bij de geboorte van mijn kinderen. Op momenten waarop het leven verder ging zonder haar en toch ook niet helemaal zonder haar.
Gisteren luisterde ik naar rouwdeskundige Riet Fiddelaers, die sprak over rouwhallucinaties. Ik zat ineens in tranen. Ze vertelde over hoe mensen hun overleden geliefden soms kunnen voelen, horen of zelfs even waarnemen, vaak juist op belangrijke momenten. Ik herkende dat meteen. Niet alleen uit mijn eigen leven, maar ook uit de verhalen die mensen mij als arts soms voorzichtig vertellen.
Ze praten - of liever: ze fluisteren - over een gedaante die heel even zichtbaar is. Over een stem die plotseling klinkt. Over een hand op de schouder, precies op die ene plek. En bijna altijd zeggen ze er heel snel bij dat ze heus wel weten dat het niet kan. Alsof ze zich alvast willen verontschuldigen. Er zit opvallend vaak schaamte op dit soort ervaringen.
Rouw trekt zich helemaal niets aan van logica. Het hoofd begrijpt het verlies vaak eerder dan het lichaam. Wie lang samen is geweest, heeft de ander opgeslagen in routines, bewegingen en verwachtingen die nooit hardop uitgesproken hoefden te worden. En soms, juist op kruispunten en ook knelpunten in het leven, meldt die nabijheid zich opnieuw.
Wat weinig wordt gezegd, is dat dit bij de meeste mensen niet iets is wat per se over hoeft te gaan. Niet omdat ze vastzitten in hun verdriet, maar omdat deze ervaringen vaak vanzelf van vorm veranderen. Ze worden minder scherp, minder letterlijk. Ze verschuiven van zien naar voelen. Van aanwezigheid naar iets stillers. Iets groters bijna.
Voor mij zijn deze momenten nooit verontrustend geweest. Integendeel. Ze hebben iets bevestigd wat ik moeilijk anders kan uitleggen: dat liefde niet ophoudt wanneer iemand sterft, maar een andere vorm aanneemt.
Mijn moeder stond niet letterlijk naast me bij de buluitreiking. Ze stond ook niet echt bij de wieg van mijn kinderen.
Maar ze was er wél.
En eerlijk gezegd hoop ik dat ik dit gevoel ook nooit meer zal hoeven kwijt te raken.
Tekst: Sander de Hosson