15/10/2025
Huis van veranderingen – Jeni Couzyn
Mijn lichaam is een groot huis.
Een commune
van kibbelende vrouwen
die hun eigen adem horen
en elkaar niet willen kennen.
Het dichtst bij de deur
klaar in haar zwarte leer
is Kwetsbaar. Zij woont in de hal,
haar gezicht zorgvuldig opgemaakt
haar zwarte laarzen reiken tot aan haar kruis,
haar zwarte haar glanzend,
haar huid melkachtig en zacht als boter.
Als je aan zou bellen
doet zij open
en een wond zou zich dwars over haar ogen openen
als ze je hand aanraakt.
Op de trap, blinkend en vastbesloten
is Opmerkzaamheid. Zij is de baas, zij deelt
straffen en rantsoenen en examenpapieren uit
met nauwkeurige rechtvaardigheid.
Ze houdt haar waarnemingen in een groot album onder haar arm,
haar schulden in de tuin bij de onkruidbestrijders,
vrienden in een kaarten-index,
in de vensterbank van de zitkamer
heeft ze een geluidsopname van de wereld
op de koptelefoon
die ze voor zichzelf steeds opnieuw afspeelt,
ze beoordeelt haar leven
en schrijft overzichten.
In de keuken is Prijzenswaardig.
De enige dame in het huis die
zich kleedt met bloempatronen.
Ze is altijd druk in de weer, doet altijd iets
voor iemand; ze heeft heel veel vrienden. Haar handen zijn snel en
handig als merels, haar provisiekast is vol met broden en vis,
ze weet de tijden waarop de trein gaat,
ze verstelt wat stuk is en maakt
veel lawaai met de stofzuiger.
In haar linnenkast, pas gestreken en netjes opgevouwen,
bewaart ze haar wreveligheden als
huwelijkscadeaus – elke week
haalt ze ze er uit om te tellen
zodat ze er niet één verliest,
maar zou er niet over denken om
er een te gebruiken; dame als ze is.
Boven in een witte kamer woont
mijn favoriet. Ze is Onbeslist.
Heeft geen vlees op haar botten
die zo veranderlijk zijn als de stokjes van de I Ching.
Ze hoort haar groene planten praten,
kijkt naar de nare dromen
die zich onder de wereld ontvouwen,
besteedt al haar dagen en nachten
aan het schikken van haar symbolen,
ze slaapt nooit,
eet nooit hamburgers,
laat nooit iemand in haar kamer,
vraagt nooit ergens om.
In de kelder zit Kwaadaardig.
Ze past op de wapens,
de waakhond. Ze houdt indringers buiten,
maar de anderen houden haar
opgesloten overdag en als ze ontsnapt
komt ze er krijsend uit,
rook uit haar neusgaten,
vlammen op haar tong,
scheermessen als vingernagels
spiesen als ogen.
Ik ben Dreigend,
leef buiten op straat
en kijk naar hen. Ik herberg mijzelf in de hoofden van andere mensen
met een slaapzak
die op mijn rug is gebonden.
Op een dag zal ik ze misschien aardig genoeg vinden
deze ruige, waarheidlievende vrouwen,
om bij hen te gaan wonen. Eén voor één
word ik vrienden met hen allenmaal.
Onopvallend, langzaam maar zeker
Langzaam maar zeker.