10/04/2026
Een afspraak voor later
In september 2018 kreeg ik een telefoontje van een mevrouw uit de buurt.
Ze wilde graag een afspraak maken om over haar uitvaart te praten. nuchter, zonder omwegen. Dat typeer ik meestal als: dit wordt iemand die weet wat ze wil.
Een week later drukte ik in de centrale hal van haar appartementencomplex op de bel. Kennelijk werd ik door het alziende oog van de camera goedgekeurd, want de deur zoemde open. Op de tweede verdieping stond haar voordeur al uitnodigend open.
“Kom binnen!”
En dat welkom was net zo warm als ze zelf was.
Ze bleek ruim tachtig, fris van geest en beslist niet van plan om tijd te verspillen. Ze wist heel goed dat ze “de meeste aardappelen wel op had” en dat haar leven langzaam richting het einde ging. En daar had ze vrede mee. Haar man was al bijna dertig jaar geleden overleden, kinderen had ze niet.
Maar eenzaam? Absoluut niet.
“In dit gebouw kan ik bij iedereen op de koffie,” zei ze opgewekt. Ze woonde hier al zolang de flats er stonden – eerst samen met haar man, nu alleen, maar nog altijd met veel plezier.
“Kijk nou toch,” zei ze, terwijl ze naar buiten wees, “dat park. Er is altijd wat te zien! Net een levend schilderij.” Ze klonk als een enthousiaste makelaar, al voegde ze er meteen aan toe dat ze voorlopig écht niet van plan was haar huis te verlaten.
Ze had al een goede kennis gevraagd om later haar uitvaart te regelen. Die zou mij dan bellen. Ook dat had ze keurig vastgelegd.
Tijdens ons gesprek – ze was uitstekend voorbereid – nam ze me rustig mee langs haar wensen. Ik werkte alles thuis uit en een paar dagen later bracht ik haar een map met een verslag van ons gesprek.
“Leg hem maar goed weg,” zei ik, “en laat hem vooral verstoffen.”
Ze glimlachte.
“Maak je geen zorgen,” antwoordde ze, “ik heb hem voorlopig niet nodig. Maar het geeft me rust dat alles nu vastligt.”
De jaren gingen voorbij en soms, als ik langs haar appartementencomplex reed of met de hond door het park liep, keek ik automatisch even omhoog. Ik hoopte haar nog eens voor het raam te zien staan. Er was tenslotte altijd wat te doen in dat park. Misschien heeft zíj mij weleens gezien. Ik haar niet.
Maart 2026. De telefoon ging.
Het was haar kennis. Ze vertelde dat haar vriendin die middag was overleden. Niet in haar geliefde huis, maar in een verzorgingshuis. Enkele dagen eerder was ze daar opgenomen, omdat zelfstandig wonen niet langer ging.
Achtentachtig jaar. Het was klaar.
Haar laatste dagen waren moeilijk geweest. Het afscheid van haar appartement viel haar zwaar. Het ging plotseling, ze kon weinig meenemen. Maar wat hier wél prominent op tafel stond, was de foto van haar man.
Zijn vriendelijke gezicht keek me aan, net als acht jaar eerder. Iets vergeeld inmiddels, maar dezelfde zachte glimlach.
Daar lag ze: op een vreemd bed, in een vreemde kamer. Maar niet alleen. Die foto had ze tot het eind bij zich gehouden. Ik hoorde dat ze hem de laatste dagen nauwelijks losliet. Ze was niet bang voor de dood. Integendeel.
“Hier heb ik toch niemand meer,” had ze gezegd. “En hij wacht al zo lang op me.”
Volgens haar wens brachten we haar diezelfde dag over naar het uitvaartcentrum, waar ze twee dagen later – zonder aanwezigen – werd gecremeerd.
Toen ze me jaren geleden vertelde dat er niemand bij hoefde te zijn, had ik nog gevraagd of ik dan aanwezig moest zijn.
Haar antwoord was droog en typisch haar:
“Ik zal toch niet de eerste zijn? Dat redden ze daar vast ook wel zonder jou.”
Zo gezegd, beloofd en volgens haar wens gedaan. Afspraak is afspraak.
Rust zacht, lieve mevrouw, en doe de groeten aan uw man.