24/01/2026
Over boosheid
Onlangs sprak ik een jongvolwassene die zich somber voelde. Haar aandacht gleed telkens weg bij school, terwijl school voor haar juist belangrijk is, zei ze er meteen bij. We gingen samen zoeken, zonder haast, omdat ik inmiddels weet dat somberheid zelden alleen over “geen zin” gaat.
Al onderzoekend werd iets anders zichtbaar. Diep vanbinnen bleek ze ongelooflijk boos op één van haar ouders. Niet een beetje geïrriteerd, maar boos met gewicht. En precies daar kwam de tweede beweging. Ze keek naar haar eigen gevoel alsof het verboden terrein was: “Ik heb geen recht op dit gevoel.” Daarna volgde de overtuiging die alles dichttimmerde: “Boosheid is gevaarlijk en leidt tot afwijzing.” Terwijl ze dit zei, hoorde ik in haar stem juist de boosheid oplaaien. Boos zijn over het idee dat je niet boos mag zijn. Dat is zo’n innerlijke knoop die je hoofd moe maakt.
Boosheid is in de hechtingstaal vaak geen “slechte emotie”, maar een protest. Een signaal dat een belangrijke behoefte onvervuld is gebleven. Ik had je nodig en je was er niet. Ik wilde gezien worden en ik voelde me alleen. Ik wilde dat je me serieus nam en ik voelde me klein. Boosheid wijst dan niet op gebrek aan liefde, maar op het verlangen naar verbinding dat ergens is vastgelopen.
En tegelijk leren veel mensen al vroeg dat boosheid iets kost. Dat het leidt tot terugtrekking, koude blikken, straf, stilte of escalatie. Dan wordt boosheid een risicofactor: als ik dit voel, raak ik de ander kwijt. Het gevolg is dat de boosheid niet verdwijnt, maar ingeslikt wordt. Ze wordt netjes. Of ze wordt scherp. Of ze zakt naar beneden en verandert in somberheid, vermoeidheid en een lichaam dat voortdurend op de rem staat.
Soms zie je dan twee lagen tegelijk. Bovenop ligt de boosheid, omdat er iets niet klopte. Daaronder ligt verdriet, omdat het gemist is. En daaronder ligt angst, omdat de relatie op het spel voelt te staan. Wanneer iemand in zichzelf geen toestemming krijgt om boos te zijn, blijft die hele keten onverteerd. Het zenuwstelsel blijft spanning vasthouden. Het hoofd gaat malen. Concentratie wordt een luxe, omdat er van binnen iets veel urgenter is dan school: de vraag of ik er mag zijn met wat ik voel.
Als boosheid geen plek krijgt in een relatie, gaat ze ondergronds. Dan krijgen we patronen die veel schadelijker zijn dan een heldere uiting van boosheid: vermijden, terugtrekken, sarcasme, passief agressieve opmerkingen, het gesprek “vergeten” en ondertussen wel afstand creëren. Het zijn strategieën die ooit hielpen om afwijzing te voorkomen, maar die later intimiteit kapotmaken. Dan raakt de ander je niet meer, maar je raakt elkaar ook kwijt.
Ik geloof dat boosheid pas gevaarlijk wordt als ze geen taal krijgt. Wanneer boosheid wél taal krijgt, in een veilige vorm, wordt ze een wegwijzer. Dan zegt ze niet: jij bent fout. Dan zegt ze: dit doet pijn en ik wil dat het anders wordt. Dat vraagt volwassen moed, en ook vertrouwen. Want om boosheid te tonen zonder te kwetsen, moet je ergens geloven dat de relatie het kan dragen, of dat jij het in elk geval kunt dragen als het schuurt.
Boos mag. Kwetsen niet.
En soms is de diepere stap niet “minder boos zijn”, maar eerlijker worden over de behoefte die eronder ligt.
Als je dit herkent, sta dan eens stil bij één vraag: welke onvervulde behoefte probeert mijn boosheid eigenlijk te beschermen, en durf ik haar vandaag in één eenvoudige zin serieus te nemen?