25/02/2026
Vorig jaar ging ik samen met mijn moeder naar de film ‘Tussen Wal en Schip – Geruisloos Indisch’. Een integere zoektocht naar onze wortels en het doorbreken van het Indisch zwijgen.
Een aantal fragmenten zijn me sterk bijgebleven. Specifiek één waar ik met een gemengd gevoel van begrip en frustratie naar keek: hierin pakt een kleinzoon zijn grootvader hard aan. Hij houdt hem verantwoordelijk voor het feit dat hij vroeger baboes in huis had; hij móést wel onderdeel zijn geweest van de koloniale onderdrukking.
De kleinzoon wijst het koloniale deel van zijn opa moreel volledig af. Maar systemisch gezien is die opa de bron van zijn bestaan. Als jij een deel van je voorouders uitsluit omdat je hun daden veroordeelt, ontstaat er een breuk in je eigen fundament.
Wat we buitensluiten, gaat namelijk in ons trekken als een onbewust loyaliteitsconflict. Je kunt niet de helft van je eigen DNA ‘fout’ verklaren en verwachten dat je innerlijk rust vindt.
De film legt hier de vinger op een diepe wond: de schurende dualiteit waar wij als Indo’s uit bestaan. Want hoe kun je ‘thuiskomen’ in jezelf als je een deel van je eigen herkomst moreel veroordeelt?
Wij zijn als Indische Nederlanders nu eenmaal de samensmelting van twee werelden: de koloniale machthebber én de Njai; de Indonesische voormoeder die vaak in een onvrije positie onze lijn startte. Systemisch gezien betekent dit dat wij zowel de dader als het slachtoffer in onze bloedlijn dragen.
Echt thuiskomen betekent de héle waarheid aankijken. Niet om onrecht goed te praten maar om de strijd in je eigen systeem te staken. Pas als we beide uitersten, de dader én het slachtoffer, een plek geven, stopt de oorlog van binnen.
Ik ben benieuwd: welke kant in jezelf vind jij het lastigst om aan te kijken? De dader of het slachtoffer?