30/12/2025
Indrukwekkend artikel in weekblad Nieuw Volendam - NIVO over onze laatste oefenavond van 2025
Henri Onrust deelt, samen met André Schilder en Kees Tuip, zijn verhaal voor Young Fire and Rescue Team
‘Een bijzondere manier van iets wegduwen’
Ook al werd hij omringd door liefdevolle mensen, de zelfacceptatievan zijn ‘nieuwe ik’ verwerd voor Henri Onrust na de Nieuwjaarsbrand tot een langdurige lijdensweg. Gaandeweg kwam zijn (galgen)humor terug, de gevatte opmerkingen, het onverschillig zijn, maar hij kon ook hard zijn naar anderen en vreselijk hard zijn voor zichzelf. Nooit eerder voelde Henri de behoefte om zijn verhaal te doen, maar voor het Young Fire and Rescue Team maakte hij in de kazerne van Brandweer Volendam een uitzondering.
Dat Young Fire and Rescue Team, waarbij jongeren van 13 tot 18 jaar wekelijks iets leren van disciplines als de brandweer, politie, Rode-Kruis/EHBO en de Reddingsbrigade, werd 7 jaar geleden mede geïnitieerd door toenmalig burgemeester Lieke Sievers en jeugdleider. Eén van de teamleiders is Monty Swart, voormalig Afghanistan-veteraan. Hij is werkzaam bij de gemeente Edam-Volendam en daar collega van Henri Onrust. Monty vroeg hem – om samen met zijn vriend en brandweerman André Schilder – iets te vertellen over de rampnacht en zijn weg erna.
Voorafgaand nam Kees Tuip (dood), eveneens teamleider van het YFRT, de jongeren mee in onder meer het ontstaan van brand en wat te doen, waarbij er door middel van vragen ook interactie was. Kees was die oudejaarsnacht als brandweerman op de Volendamse dijk. Hij toonde de aanwezige jongeren, teamleiders en enkele brandweerlieden ook de beelden van de TNO-reconstructie diedestijds enkele maanden na de Nieuwjaarsbrand op verzoek van de Commissie Alders werd gedaan. Om de situatie na te bootsen werden sterretjes in contact gebracht met droge kersttakken. Het maakte enorme indruk op de YFRT-leden, om te merken dat in enkele tientallen seconden de kersttakken zowel vlamvatten als naar beneden vielen en het vuur zich kort en hevig verspreidde, met een gigantische hitte tot gevolg.
“Dat gevoel van al die jongeren met die verbrande huid, dat ging later opspelen”
Kees Tuip vertelde over de inzet van de brandweerkorpsen van Volendam, Edam en korpsen uit de omgeving tijdens die rampnacht. Eerder nam hij de leerlingen ook mee in eerste-, tweede- en derdegraads brandwonden, hoe te handelen en welke pijn daarbij hoort, of wat het betekent als je niks (meer) voelt. ,,Als iemand brandwonden heeft maar niets meer voelt, moet diegene het snelst worden geholpen.” Bij Kees gingen die nacht misschien wel honderden jongeren door zijn handen. ,,Dat gevoel van al die jongeren met die verbrande huid, dat ging later opspelen.” En uiteraard ook de beelden die hij had gezien. Hij zocht hulp en doorliep een traject van negen jaar. ,,Ik ben wel altijd bij de Brandweer gebleven. Wat je allemaal hebt meegemaakt, gaat als het ware in een boek, dat je ergens verstopt in de boekenkast. Elke keer als je het pakt en er doorheen gaat, dan kon ik het boek daarna wat lager terugzetten en wat meer in het zicht. Ik heb veel gepraat, maar ik heb de indruk dat niet alle brandweermannen van de generatiesvan toen er veel over hebben gepraat.”
Ook Henri Onrust deelde zijn verhaal nooit met een publiek.,,Daarom is het ontzettend knap dat hij hier wel staat”, zei ook Jaap de Boer, die tijdens de rampnacht als brandweerman in functie en ooggetuige was. ,,Dit is zeker bijzonder”, benadrukte André Schilder, maatje van Henri. Zeventien jaar waren ze destijds. André: ,,Wij zaten die oudejaarsavond in de Amvo. We kwamen altijd in De Hemel, dus daar gingen we meteen na twaalf uur ook heen. Wij waren nog maar een kwartier binnen. En in De Hemel stonden we helemaal achterin.”
,,Ik moest op een gegeven moment naar de wc en nam de wenteltrap naar boven, net als Jack Sombroek.” Henri neemt het over, gevat als altijd. ,,Ik moest jammer genoeg niet. Ik stond vlakbij de plek waar het gebeurde. En probeerde het vuur van de brandende takken nog uit te slaan met mijn jas. Maar dat gaf niks. Ik besloot op de bar te klimmen en aan de andere kant van de bar ben ik er overheen gevallen. Toen ik bijkwam, ben ik er voor mijn gevoel zelf uitgekomen. En vervolgens verderop naar café De Dijk gelopen. Ik dacht dat ik niks had, want ik voelde niks. Ik ben daar gewoon gaan zitten, terwijl om me heen anderen huilden, of schreeuwden van de pijn. Ik dacht: ik ben er goed van af gekomen, voelde geen pijn, huilde niet.”
,,Mijn broer Johan was mij aan het zoeken en door de ramen van het café zag hij me zitten, maar hij mocht eerst niet naar binnen. Hij werd uiteraard boos en werd alsnog binnengelaten. Ik was een blonde jongen, dus ik vroeg aan mijn broer ‘Hoe zie ik er uit?’ Hij zei dat mijn gezicht spierwit was en de rest was zwart. Ik dacht nog steeds dat ik het er goed van af had gebracht. Ik vroeg nog om een biertje… Ik kreeg een glas water. Toen ik een paar slokken nam,kon ik opeens geen adem meer halen.” Ook de binnenkant was verbrand.
“Als ik op zaterdagavond op de dijk was en veel had gedronken, dan jankte ik wel en vertelde mijn verhaal tegen iedereen, zelfs tegen een boom”
,,Ik moest met de ambulance mee en daar knipten ze meteen mijn spijkerbroek kapot. Ik zei tegen de ambulancebroeder: ‘deze ga je betalen, vriend. Want het is de eerste dag dat ik deze broek aan heb…’ Hij knikte. ‘Later ben je me dankbaar’, zei hij. Ik hoor de ambulancebroeder nog tegen m’n broer zeggen: ‘blijf praten en hou hem wakker’. Maar al snel viel ik weg. Ik ben naar het ziekenhuis in Hoorn gebracht. Toen ik daar lag, was het ‘einde oefening’. Ik ben daar bediend (de zegen en zalving voor het overlijden, red.). Ondertussen waren er gespecialiseerde artsen die langs ziekenhuizen kwamen om te kijken of ze patiënten mee konden nemen naar brandwondencentra en de arts die er nog één kon meenemen naar Rotterdam, nam mij mee. Met politiemotoren voorop rijdend werd alles afgezet en kon ik snel worden vervoerd.”
Langzaam maar zeker week het levensgevaar. ,,Na drie maanden werd ik wakker uit het kunstmatige coma. Ik kon niks. Pas toen ik weer een beetje kon praten, vroeg ik aan mijn schoonzus of mijn moeder al jarig was geweest. Ze knikte. Dat was 26 januari. ‘Ikzelf ook?’, vroeg ik. Ze knikte weer. Dat was 24 februari. Vervolgens kwam er een tijd, die zou ik niet meer opnieuw willen doen. Zoveel pijn, onbeschrijflijk. Dat gun je niemand. Op een gegeven moment hoefde het voor mij ook niet meer. Tegen de arts en mijn ouders zei ik dat ik er klaar mee was. Ik schold veel, gebruikte alle vloekwoorden. Omdat je pijn hebt, je kunt niks meer en je wilt niks meer. Toen kwam de dokter bij me. Hij zei dat ik zou overleven, maar als ik niet zou eten en dat soort dingen, zou ik alleen maar langer in het ziekenhuis moeten blijven. Al mijn vrienden kwamen bij me. Een vriend die nooit huilde, begon spontaan te huilen.”
,,Na dertien maanden mocht ik naar huis. Althans, ik hoor de dokter nog zeggen dat ik wel eerst mezelf in de spiegel moest hebben gezien, voordat ik ontslag uit het ziekenhuis kreeg. ‘Dat komt goed uit’, zei ik. ‘Dan blijf ik wel hier’. Uiteindelijk deed ik het. Toen we vanuit Rotterdam terugkwamen en de straat in reden, stond iedereen buiten me op te wachten. Supermooi. ‘Welkom thuis’. Maar van binnen was ik niet blij. Het duurde ook maar een week, toen moest ik weer terug naar het ziekenhuis, omdat bepaalde wonden weer open gingen. Maar dat ziekenhuis was ook wel weer vertrouwd. Dat voelde op dat moment meer als mijn thuis.”
,,In de jaren daarna heb ik slechte tijden gehad. Waar mijn vrienden ’s zomers naar het zwembad gingen of op vakantie, wilde ik niet mee. Ik deed eigenlijk niks meer. Als iemand aan me vroeg hoe het met me ging, zei ik altijd ‘top’. Ik ontkende alles. Als ik op zaterdagavond op de dijk was en veel had gedronken, dan jankte ik wel en vertelde mijn verhaal tegen iedereen, zelfs tegen een boom. Maar als ik nuchter was, dan praatte ik er niet over. Tot ik mezelf een keer na een avond uitgaan met veel alcohol voor de bus wilde gooien. Toen ontmoette ik de vrouw die vervolgens jarenlang mijn vriendin werd. Na dat eerste gesprek zei Sandra: ‘moet jij niet eens naar de dokter, want je hebt dingen verteld, dat is niet goed’. Ik zei dat ik een topavond had gehad. Maar ik ben later wel naar de huisarts gegaan en toen die vroeg hoe het écht met me ging, kwam er tien jaar lang ellende uit. Ik zei: ‘vanaf het moment dat ik wakker ben, wil ik eigenlijk dood’.”
“Mijn vader heeft dat hele eerste jaar in het ziekenhuis bij mij op de kamer geslapen”
,,Ik kreeg medicijnen en sindsdien is het beter gegaan, mede ook door de gesprekken die ik heb gehad, met Ria Kes. Zij kende mij van de eerste periode na mijn thuiskomst, toen ze mij ook hielp(namens Het Anker, red.).” Het duurde wel even, voordat hij overtuigd was van het nut. ,,Als iemand zei dat ik misschien naar een psycholoog moest gaan, dan zei ik ‘kan die mij knapper praten dan ik nu ben? Nee? Dan hoef ik niet heen’. Dat was misschien kort door de bocht, maar zo was ik in die fase. Ik had nergens zin in. Mijn ouders waren ook geen grote praters. Mijn vader heeft dat hele eerste jaar in het ziekenhuis bij mij op de kamer geslapen. Hij is nooit weg geweest. En m’n moeder ging elke dag heen en terug, want ik lustte het eten van het ziekenhuis niet. Dan ging ze op en neer naar Rotterdam, om het door haar gemaakte eten mee te nemen. Mijn vader en ik, dat zijn twee handen op een hele dikke buik. Hij is mijn beste vriend geworden.”
Met een brok in de keel hoorde André Schilder het relaas van zijn vriend aan: ,,Ik moet wel even slikken. En ben trots op hem, dat hij hier staat. Ikzelf zat destijds net een half jaartje bij de Brandweer. Mijn eigen pieper ging af in De Hemel. Mijn vader was die nacht ook brandweerman, hij zag mij toen ik eruit kwam, zei dat ik wel wat zwart was, droeg me over aan een oom en ging zelf verder met helpen. Zeven van de acht vrienden belandden destijds in het ziekenhuis. Ook Kees Veerman (buurman), Maik Offerman, Arthur Eeckhout, Jack Sombroek, Wouter Guyt en Harry Zwarthoed. Het was een heftige tijd. Wij waren zeventien destijds, slechts één van ons had een rijbewijs. Theo Zwarthoed, die net een contract had getekend bij AZ en niet in De Hemel was, reed ons steevast elke zondag naar het ziekenhuis in Rotterdam. Ik weet nog de eerste keer dat ik bij Henri op bezoek kwam. Hij lag daar helemaal ingepakt, met een rood lampje aan één van zijn voeteinden.” Henri: ,,Dat was niet van de feestverlichting van ’t Hemeltje.” André: ,,Hij lag in kunstmatig coma. Zijn broer zei tegen me: ‘Je moet wel tegen hem blijven praten’, want hij kan alles horen. Een onvoorstelbare situatie. In één keer waren we volwassen, gehard.” Henri: ,,Ik heb heel veel gemist. Ik hoor nu voor het eerst dat Wouter in het ziekenhuis heeft gelegen voor zijn been. Mijn eigen maatje. Bij ons in de ploeg werd het in de tijd daarna altijd weggelachen. We maakten er geintjes over. Dat was ook mijn manier van het er mee omgaan.”
Net als André sprak ook Monty Swart zijn trots uit richting Henri, voor hetgeen hij deelde. ,,Het is een eer, dat we dit eerlijke verhaal van deze mannen te horen krijgen. Henri heeft altijd gevatte opmerkingen, is het type dat als jij iets gaat zeggen, dan heeft hij al een counter geplaatst.” Henri knikte: ,,Ook niet altijd goed.” André: ,,Dat is ook een bijzondere manier van iets wegduwen”, doelend op het omgaan met dingen. ,,Dit is voor Henri ook een stuk verwerking.”
André maakte onlangs de 25 jaar vol bij de Brandweer. ,,In die tijd van ‘de ramp’ was het niet gewoon dat je veel praatte over wat je had gezien. Dat is bij ons al wel geruime tijd het protocol en dat is zo belangrijk. Als het over heftige gebeurtennissen gaat, dan vertellen de meeste Volendammers niet alles tegelijk. Dat heeft ook een aantal mensen de kop gekost in de loop der jaren. Daarom gaan wij wel altijd in gesprek na een incident.”
Henri: ,,Ik ben blij met mensen zoals hier van de brandweer, Kees en de anderen. En ook met jullie”, richtte hij zich tot de jeugd van het YFRT, met daarin ook een zoon van één van zijn vrienden. ,,Dat jullie dit werk later misschien ook gaan doen, ik heb erg veel respect voor jullie. Ook voor mijn maatje André. Al die brandweermannen die als het ware met hun kleren aan naar bed gaan, om, als er een melding is, ook gewoon ’s nachts er op uit te gaan.”
Monty: ,,Wat we uit dit verhaal – naar onze jeugdleden en de jeugd van Edam-Volendam toe – ook kunnen halen, is het gevaar van vuurwerk. Dat speelt hier nu al weken, met het ’s avonds afsteken van groot vuurwerk. Hoe onschuldig het ook lijkt, denk na wat je doet. En draag een vuurwerkbril, misschien is dat niet stoer, maar het kan een hoop ellende schelen.”
De YFRT-leden en teamleiders gingen daarna met Henri en André naar de dijk, praatten voor het pand waar de Nieuwjaarsbrand plaatshad, alsook bij het monument. Begin volgend jaar brengen zij ook een bezoek aan de expositie in het Volendams museum en mogelijk aan bar De Hemel, de plek waar het gebeurde. Henri is er nog niet terug geweest. André al wel. ,,Onlangs ben ik er ook met mijn zoon geweest, hij hield een spreekbeurt over deze gebeurtenis.Als je daar dan samen staat, dat doet je wel wat.” Henri: ,,Vorige week was er ook een herdenking op het Don Bosco College. Voor mijn nichtje ben ik al die jaren gewoon ome Hen, ze weet niet beter, maar zij was er ook die dag op het DBC en had Kees Tol als gastspreker. Ze begon me daarna allerlei vragen te stellen. Er gebeurt dus een hoop in deze weken.”