18/01/2026
Ik weet nog precies hoe hij keek – Hij zat op de brancard, een jongetje van zeven, met zijn arm in een vreemde hoek die niet klopte. Te stil voor zijn leeftijd. Zijn ogen schoten heen en weer tussen zijn vader en moeder, alsof hij probeerde te voorspellen waar de volgende klap zou vallen. Niet fysiek — die had hij al gehad — maar verbaal.
Het verhaal was snel duidelijk: de kleine man had achterop de fiets gezeten bij zijn moeder. Voorin de krat lagen de boodschappentassen – te zwaar, te vol. Vader had het vaker gezegd. Dat ze zo niet moest fietsen. Niet met hem achterop. Niet met al die spullen. En nu waren ze gevallen…
Op de SEH bleek dat de arm was gebroken, en deze moest rechtgezet worden.
Maar de echte pijn in de kamer kwam niet van de breuk…
Terwijl wij bezig waren met de intake, begon vader: “zie je wel”, te sissen tegen moeder..
“Ik had dit toch gezegd?”
“Altijd luister je niet.”
“Dit is precies wat ik bedoelde.”
Moeder zei weinig. Ze keek naar de grond, haar handen trilden. En het jongetje… die keek naar haar. En toen naar zijn vader. En toen weer naar zijn arm. Alsof hij dacht: als ik niet achterop had gezeten, was dit niet gebeurd.
Ik hurkte naast hem om zijn naam te zeggen, om hem uit te leggen wat we gingen doen. Maar elke zin werd overstemd door de boosheid van vader..
Op de SEH doen we veel met onze handen. We zetten botten recht, geven pijnstilling, houden vast als het spannend wordt. Dit jongetje moest naar de behandelkamer om zijn arm te zetten. Dat doet pijn. Dat is eng. Maar eerlijk? Zijn hartslag ging niet omhoog toen de arts binnenkwam. Die ging omhoog bij de stem van zijn vader.
Ik zag het aan alles. Zijn schouders strak. Zijn ademhaling hoog. Zijn ogen glazig. Niet huilen — nee, zich groot houden. Want huilen voelt op dat moment misschien als olie op het vuur.
Ik vroeg de vader of hij even met me mee wilde lopen. “Gewoon heel even,” zei ik. Mijn stem rustig, maar beslist. Dit was niet het moment voor gelijk krijgen.